Waarom streven we naar een inteeltcoŽfficiŽnt van minder dan 5%?
 

Dit is ruim onder de inteeltcoŽfficiŽnt tussen neef en nicht (6,25%).
Het is alleen mogelijk om hieronder te blijven als we met verschillende bloedlijnen blijven fokken.
Om het ras gezond te houden gaat het niet alleen om weinig verwantschap tussen de ouderdieren zelf, maar ook binnen de (toekomstige) fokgenenpool.

Fokken met weinig inteelt kan alleen als er keuze is uit fokdieren die niet of nauwelijks verwant zijn aan elkaar. Hiervoor is een grote fokgenenpool nodig met diversiteit in bloedlijnen.
Om die reden fokken we ook met zeldzamere en nieuwe bloedlijnen, en niet alleen met bloedlijnen die goed op een kattenshow presteren.

 

Als de genenpool eenmaal verarmd is doordat slechts met een bepaald aantal bloedlijnen is gefokt, is het onmogelijk om nog tot een lage inteeltcoŽfficiŽnt te komen.
Praktijk is dat de inteeltcoŽfficiŽnt binnen alles rassen op de lange termijn alleen maar stijgt, tenzij er grootschalig nieuw bloed wordt toegevoegd.
Met dit programma willen we zo een situatie voorkomen.

 

Een lage inteeltcoŽfficiŽnt voor een sterk immuunsysteem en tegen erfelijke aandoeningen

De inteeltcoŽfficiŽnt geeft de kans aan dat een kitten van beide ouders eenzelfde allel krijgt.
Dit kan problemen geven omdat:

-          een goed werkend immuunsysteem afhankelijk is van een grote diversiteit aan allelen en genen;

-          ziektes tot uiting kunnen komen bij het samenkomen van dezelfde allelen.

 

Een allel is een versie van een gen. Zo een versie erft een kitten van zowel zijn vader als van zijn moeder.
Deze versies samen bepalen hoe een gen tot uiting komt.
Eťn gen is bepalend voor de vachtkleur.
Maar, een kat heeft circa 20.000 genen.
Elk gen heeft een eigen functie, en vaak werken genen samen.
Zo zijn bij de werking van een immuunsysteem bijvoorbeeld vele genen betrokken.
Deze werking is complex.
Je kunt je vast voorstellen dat hoe kleiner de diversiteit is van deze Ďimmuunsysteemgenení, hoe minder goed het immuunsysteem kan reageren op verschillende indringers. 

 Veel erfelijke ziektes komen tot uiting doordat dezelfde allelen samen komen, of doordat allelen ontbreken om de uiting van een ziekte te voorkomen.
Dit is waarom hoge inteelt het risico op erfelijke aandoeningen vergroot.
De gezonde of benodigde allelen kunnen dan ontbreken, doordat de genenpool binnen het fokbestand is verarmd doordat steeds met dezelfde bloedlijnen is gefokt.
Als een dier eenmaal twee dezelfde allelen van een gen heeft geŽrfd van beide ouders, kan het dier alleen maar die allelen doorgeven aan nakomelingen.
Hierdoor wordt de genendiversiteit binnen een ras steeds armer zolang geen nieuwe fokdieren uit andere bloedlijnen worden toegevoegd.

 

Dit is reden waarom we niet alleen streven naar een inteeltcoŽfficiŽnt van maximaal vijf procent, maar ook koersen op een grote en diverse fokgenenpoel op een daling van de inteeltcoŽfficiŽnt. Een rijke genenpool is dť beste manier om sterke katten met een gezond immuunsysteem te fokken en om de kans op erfelijke ziektes zo klein mogelijk te houden.

Genenverarming heeft ook invloed op mentale gezondheid

Vermeldingswaardig is dat weinig verwantschap binnen een ras ook positieve invloed heeft op mentale gezondheid.
Dit is een onbetwistbaar feit dat helaas weinig aandacht krijgt nog.

 

Binnen rasdieren met hoge inteelt zien we namelijk meer gedragsproblemen voorkomen.
Deze kunnen zich zelfs uiten als psychische aandoeningen.
Denk aan een lief ras als de golden retriever, waar Ďonverklaarbare agressieí in bepaalde lijnen veelvuldig voorkomt.
Of border collies met zo een doorgeschoten drijfinstinct dat er geen sprake meer is van Ďgezond functionerení.
Zo zijn er ook katten die door hoge inteelt sociale vaardigheden missen.